Belangrijkste wijntermen

Bekijk eenvoudig de veelvoorkomende wijntermen door te klikken op een letter uit het alfabet. 

  • Afdronk: De smaak en het aroma die in de mond achterblijven nadat de wijn is doorgeslikt of uitgespuugd.
  • Agriculture raisonnée: Milieuvriendelijke wijnbouwmethode waarbij chemische bestrijdingsmiddelen alleen gebruikt worden als het echt niet anders kan. Ook lutte raisonnée genoemd.
  • Alcohol: Een heldere, kleurloze en smaakloze vloeistof, die ontstaat door vergisting van suikers. De officiële naam is ethanol.
  • Alcoholgehalte: Aanduiding van de hoeveelheid alcohol die wijn bevat, uitgedrukt als volumepercentage. Een alcoholpercentage van 12% wil zeggen dat van de 100 ml wijn 12 ml uit alcohol bestaat.
  • Alte Reben: Duitse term voor oude wijnstokken. Er is niet wettelijk vastgelegd wanneer een wijnstok oud is, maar meestal bedoelt men planten die vijftig jaar of ouder zijn.
  • Appellation: Letterlijk: benaming. Onderdeel van een wijnkwalificatiesysteem dat vooral in Europese wijnlanden gehanteerd wordt, gebaseerd op het feit dat de wijn uit een specifiek gebied afkomstig is en aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet.
  • Appelzuur: Appelzuur komt van nature voor in druiven en wijn. Het is naast wijnsteenzuur het belangrijkste organische zuur in druiven en wijn.
  • Aroma: Een geur van een wijn. Geuren in wijn kunnen op verschillende manieren ontstaan.
  • Aroma van de druif: Druivenrassen hebben hun eigen, kenmerkende geuren, die gevormd worden door aromastoffen. Het gaat meestal om bloemige, fruitige en plantaardige aroma’s. Bekend voorbeeld is de geur van zwarte bessen van de druif cabernet sauvignon.
  • Aroma van de gisting: Het vergistingsproces voegt aroma’s toe aan de wijn. Tijdens de gisting worden nieuwe aromastoffen gevormd of worden aromastoffen die al in de druif aanwezig waren geactiveerd. Ananas en appel zijn voorbeelden van geuren die als gevolg van het vergistingsproces ontstaan. Botergeur komt van de malolactische omzetting.
  • Aroma van de rijping: Terwijl de wijn in een houten vat rijpt, krijgt hij weer nieuwe aroma’s. Zo geeft eikenhout vaak een vanillegeur aan wijn. Het langzame oxidatieproces tijdens houtrijping kan de wijn een aroma van zwarte thee of noten meegeven.
  • Aroma van herkomst: De plek waar de druiven groeien kan ook bijdragen aan de vorming van bepaalde aroma’s. Beroemd is de geur van garrigue (wilde kruiden) in wijnen uit de Languedoc, of de geur van abrikoos in Duitse Rieslings van zandgrond.
  • Assemblage: Franse term voor blend: een wijn die een mengsel is van twee of meer druivenrassen.
  • Auslese: Categorie in het Duitse wijnclassificatiesysteem waarmee de zoetheid van een wijn aangegeven wordt. De druiven voor een Auslese worden pas geoogst als ze een bepaalde (vereiste) hoeveelheid suiker ontwikkeld hebben.
  • Azijnzuur: Een zuur dat voor een belangrijk deel de geur en smaak van azijn bepaalt. In wijn kan dit zuur onder andere tijdens de vergisting gevormd worden door bepaalde bacteriën en gisten en de wijn een zure, scherpe smaak geven. Ook kan azijnzuur leiden tot het ontstaan van vluchtig zuur.
  • Barrique: Eikenhouten vat met een inhoud van 225 liter, typisch voor de wijnregio Bordeaux.
  • Bâtonnage: Het doorroeren van de lie: het bezinksel van dode gistcellen en andere vaste deeltjes onder in een vat wijn.
  • Bezinksel: Kleine vaste deeltjes in een wijn, die naar beneden zakken en soms onder in een fles te zien zijn. Meestal is de wijn dan niet of licht gefilterd. Onschadelijk, maar niet lekker om in je mond te krijgen. Voorzichtig inschenken of decanteren helpt.
  • Biologisch-dynamische wijnbouw: Druiventeelt die gebaseerd is op het gedachtengoed van Rudolf Steiner. Biodynamie gaat uit van een samenhang tussen mens, plant, dier, bodem en kosmos.
  • Biologische wijn: In de EU: wijn gemaakt van biologisch geteelde druiven, al dan niet met toegevoegd sulfiet. Het sulfietgehalte ligt doorgaans 25-35% lager dan bij gangbare wijnen. In de VS en Canada staat ‘biologische wijn’ voor wijn gemaakt van biologisch geteelde druiven en zonder toegevoegd sulfiet.
  • Biologische wijnbouw: Druiventeelt waarbij geen synthetisch geproduceerde meststoffen en bestrijdingsmiddelen gebruikt mogen worden en ook geen genetisch gemodificeerd plantmateriaal. Ziektes worden zoveel mogelijk voorkomen door goed wijngaardbeheer, het gebruik van organische meststoffen en groenbemesting.
  • Bladerdekbeheer: Het onderhoud van de loofwand van een druivenstok.
  • Blanc de blancs: Een (meestal) mousserende wijn die helemaal gemaakt is van witte druiven, terwijl er normaal gesproken witte en blauwe druiven voor gebruikt worden.
  • Blanc de noirs: Mousserende of stille witte wijn die gemaakt is van blauwe druiven – het sap daarvan is kleurloos, dus het resultaat is toch een witte wijn.
  • Blend: Mengsel (Frans: assemblage) van wijnen van verschillende druivenrassen. Het idee erachter is dat de uiteindelijke wijn daardoor interessanter en beter wordt: de verschillende druivenrassen dragen elk iets essentieels bij aan de wijn.
  • Body: Het gewicht van een wijn in de mond; het mondgevoel. Een wijn die vol en ‘dik’ aanvoelt in je mond, heeft veel body. Een wijn die licht aanvoelt, heeft weinig body.
  • Bordeauxdruiven: In de grote wijnregio Bordeaux worden maar heel weinig wijnen van één druivenras gemaakt; vrijwel altijd gaat het om een blend van meerdere druivenrassen. De bekendste blauwe Bordeauxdruiven zijn merlot, cabernet sauvignon, cabernet franc en petit verdot. De bekendste witte Bordeauxdruiven zijn sauvignon blanc en sémillon. Wijnen die elders gemaakt worden met een combinatie van deze rassen, worden vaak aangeduid als Bordeauxblend.
  • Botrytis cinerea: Een schimmel, ook edele rot genoemd, die zich bij bepaalde weersomstandigheden (de juiste combinatie van vocht en warmte) op rijpe druiven ontwikkelt.
  • Brut: Smaakcategorie voor droge mousserende wijnen met minder dan 12 gram restsuiker per liter.
  • Capsule: Gekleurd omhulsel om de nek van een wijnfles, bedoeld om de afsluiting (kurk of schroefdop) te beschermen en op z’n plek te houden. Soms alleen ter decoratie. Werd vroeger van lood gemaakt, tegenwoordig van aluminium en/of kunststof.
  • Cava: Spaanse mousserende wijn uit de DO Cava (die verschillende wijngebieden in voornamelijk Catalonië omspant), gemaakt volgens de méthode traditionnelle. De methode houdt kort gezegd in dat de belletjes in de wijn komen door middel van een tweede vergisting in de fles.
  • Cépage: Frans voor druivenras.
  • Champagne (streek): De Champagne is een wijngebied in Noordoost-Frankrijk, waar van oudsher champagne gemaakt wordt. Alleen mousserende wijn die hiervandaan komt, mag champagne heten.
  • Champagne (wijn): Champagne is een mousserende wijn die alleen in de Champagne gemaakt mag worden.
  • Chaptaliseren: Toevoegen van suiker aan de most (druivenpulp) voor of tijdens de vergisting, om een hoger alcoholgehalte te bereiken. Soms wordt ook druivenconcentraat gebruikt. Chaptalisatie is in veel wijngebieden toegestaan, maar niet onbeperkt.
  • Classic: In Duitsland gebruikte term die een bepaalde wijnkwaliteit aanduidt. Het gaat om kwaliteitswijnen van klassieke druivenrassen die harmonieus en droog smaken en met veel gerechten te combineren zijn.
  • Complexiteit: Een wijn heeft complexiteit wanneer hij veel verschillende aroma’s en smaken heeft die samen een gelaagd, maar harmonieus geheel vormen.
  • Concentratie: Proefterm die aangeeft dat de wijn in kwestie een intense smaak heeft, die echter niet overheerst of eendimensionaal is.
  • Cordon: Manier om wijnstokken te geleiden. Vanuit de stam laat de wijnboer één of twee permanente zijtakken groeien (in het Frans en Engels cordon genoemd), die opzij worden gebogen en aan een horizontale draad vastgebonden. Uit de ogen die aan deze zijtakken ontspruiten, groeien nieuwe twijgen.
  • Côte: Frans woord voor ‘helling’ of heuvel – waarop vaak wijngaarden te vinden zijn.
  • Crémant: Franse benaming voor mousserende kwaliteitswijnen die buiten de Champagne gemaakt worden, met name in de Loire, Bourgogne, Elzas en Limoux. Ook in Luxemburg wordt deze term gebruikt voor goede mousserende wijnen.
  • Cru: Franse term (het voltooid deelwoord van croître, ‘groeien’) die je kunt vertalen met ‘oogst’ of ‘gewas’. In de praktijk verwijst cru meestal naar een specifieke wijngaard die een oogst van uitzonderlijke kwaliteit oplevert. Zie ook grand cru, premier cru, cru bourgeois en cru classé.
  • Cru bourgeois: Aanduiding voor een wijngoed in de Franse Médoc van een zekere kwaliteit, die echter lager wordt gewaardeerd dan een cru classé.
  • Cru classé: Een wijngaard, wijngoed of château in Bordeaux dat opgenomen is in een van de classificaties van deze wijnstreek (zoals de beroemde classificatie van 1855, die geldt voor de Médoc en Sauternes, of de classificatie van 1955 voor de Graves).
  • Cuvée: Brede term met veel betekenissen. Verwijst in het algemeen naar ‘een partij wijn’ en wordt op etiketten vaak gebruikt in de betekenis van ‘een specifieke, prestigieuze blend’. Bij het maken van champagne betekent cuvée: de eerste (en beste) wijn die uit de pers stroomt.
  • Decanteren: Wijn voorzichtig uit een fles in een karaf schenken, op zo’n manier dat het bezinksel (de droesem) in de flessenhals achterblijft.
  • Dégorgement: Het verwijderen van het bezinksel uit de flessenhals van een fles champagne of andere op traditionele wijze gemaakte mousserende wijn. Dat gebeurt na de tweede vergisting en rijping op fles.
  • Demi-sec: Franse term voor halfdroge wijn die tot 12 à 18 gram restsuiker per liter bevat (de precieze hoeveelheid suiker hangt af van het zuurgehalte van de wijn).
  • Dosage: Wijn of mix van wijn en suiker die aan traditioneel gemaakte mousserende wijnen wordt toegevoegd voor de kurk op de fles gaat. Bij het verwijderen van de gistprop uit de flessenhals (zie dégorgement) gaat altijd een beetje wijn verloren. Dat wordt aangevuld met de dosage. De dosage bepaalt ook hoe droog of zoet de wijn smaakt: hoe meer suiker de dosage bevat, hoe zoeter de wijn.
  • Doux: Franse term voor zoete wijn die 50 gram of meer restsuiker per liter bevat.
  • Droog: Nederlandse term voor droge wijn, die maximaal 4 tot 9 gram restsuiker per liter mag bevatten (de precieze hoeveelheid hangt af van het zuurgehalte van de wijn). De Engelse term is dry; de Franse term is sec; de Duitse term is trocken.
  • Druifluis: Schadelijk insect (Latijnse naam: Phylloxera vastatrix) dat ongeveer halverwege de negentiende eeuw vanuit Noord-Amerika in Europa belandde en daar ongekend grote schade aanrichtte in de wijngaarden. De luis was (en is) met name dol op de wortels van druivenstokken van de in Europa gangbare soort Vitis vinifera, terwijl Amerikaanse druivensoorten resistent zijn. De oplossing werd uiteindelijk gevonden door Europese druivenrassen – die een betere kwaliteit wijn opleveren – te enten op Amerikaanse wortelstokken.
  • Druivenras: Druiven zijn de vruchten van de druivenplant of wijnstok.
  • Druivensoort: Druiven horen tot een bepaald druivenras en de wijnstokken waaraan ze groeien, horen op hun beurt tot een bepaalde soort.
  • Eiken(hout): Vaten om wijn te op te slaan en/of te laten rijpen, zijn meestal gemaakt van eikenhout. Traditioneel wordt eikenhout uit Frankrijk het hoogst gewaardeerd. Eiken uit Amerika is echter ook populair; het geeft de wijn vaak een smaak van vanille en kokos mee.
  • Einzellage: Duitse term voor een afzonderlijke wijngaard. De naam van zo’n wijngaard mag vanaf een bepaald kwaliteitsniveau (Qualitätswein) op de fles vermeld worden, meestal voorafgegaan door de dorpsnaam.
  • Eiswein: Duitse zoete wijn die gemaakt wordt van aan de wijnstok bevroren druiven.
  • En primeur: Term uit de Franse wijnhandel, die verwijst naar wijnen die worden verkocht nog voor ze klaar en gebotteld zijn. In de praktijk bedoelt men er vooral de grote en zeer dure Bordeauxwijnen mee die jaarlijks in de voorverkoop aangeboden worden terwijl ze nog heel jong zijn.
  • Enten: Een heel oude techniek waarmee planten vermeerderd en veredeld worden. Een stekje van de ene plant (de ent) wordt bevestigd aan een andere plant. In de wijnwereld gaat het vooral om het enten van de ene druivensoort op de andere.
  • Etiket: Behalve dat de wijnproducent zijn creativiteit kan uitleven op het etiket, moet het ook voldoen aan bepaalde wettelijke eisen. In Europa moet er in elk geval op staan: de classificatie van de wijn, het land van herkomst, naam en adres van de producent of bottelaar, de inhoud, het alcoholgehalte en of de wijn sulfiet bevat.
  • Extra brut: Smaakcategorie voor droge mousserende wijnen met 0 tot 6 gram restsuiker per liter.
  • Extra sec: Smaakcategorie voor droge mousserende wijnen met 12 tot 17 gram restsuiker per liter. Wordt ook wel extra dry genoemd.
  • Extractie: Extractie betekent dat er tijdens het wijnmaakproces kleurstoffen, aromastoffen en tannine aan de druiven onttrokken worden.
  • Fenolen: Een groep aromatische chemische verbindingen die, in het geval van wijn, vooral afkomstig zijn van de druivenschil en daarnaast van de pitjes en steeltjes. Ze omvatten kleurstoffen, tannine en diverse smaakstoffen.
  • Fermentatie: Ander woord voor vergisting, het proces waarbij gisten de suikers in het druivensap omzetten in alcohol, met als bijproducten koolzuurgas en warmte.
  • Field blend: Verschillende druivenrassen die door elkaar heen zijn aangeplant in een wijngaard.
  • Filmend mondgevoel: Mondgevoel dat sommige wijnen opleveren, waarbij het lijkt of ze een laagje (Engels: film) op de tong achterlaten. Het speeksel voelt dikker aan. Vaak zijn het zoete wijnen die een filmend mondgevoel geven.
  • Filteren: Wijn wordt meestal gefilterd voor hij gebotteld wordt, om de vaste bestanddeeltjes die er na de vergisting in rond zweven te verwijderen.
  • Flor: Een verzameling gisten die vrijwel alleen voorkomt in Jerez, het gebied in Zuid-Spanje waar sherry gemaakt wordt.
  • Foeder: Groot houten rijpingsvat met een inhoud van 1000 liter of meer. Het hout van een dergelijk groot vat heeft geen invloed op de smaak van de wijn.
  • Fouten in wijn: Tijdens de druiventeelt, de oogst en het wijn maken kunnen er dingen misgaan, waardoor fouten in de uiteindelijke wijn ontstaan.
  • Frizzante: Italiaanse mousserende wijn met een lichte bubbel. Frizzante ondergaat een kortere tweede vergisting dan spumante, waarbij de druk lager blijft en zich minder belletjes vormen.
  • Fruitvliegje: Het Aziatische fruitvliegje (Drosophila suzukii) wordt een steeds grotere plaag in wijngaarden in Europa en de VS. Het insectje doorboort de schil van rijpende druiven en laat er bacteriën in achter waardoor het sap van de druif zuur wordt.
  • Garrafeira: Portugese term met verschillende betekenissen: een (privé)wijnkelder; een madera uit één oogstjaar die minimaal twintig jaar op vat is gerijpt plus twee jaar op fles; of een wijn uit een uitzonderlijk goed jaar – meestal een blend uit verschillende streken – die langer dan gebruikelijk gerijpt is en een iets hoger alcoholpercentage heeft. Garrafeira in die laatste zin is vrij zeldzaam geworden.
  • Geleidingswijzen: Verschillende methoden om druivenstokken te snoeien en op te binden; vaak streek- en traditiegebonden.
  • Geur: De geur van een wijn kan eenduidig of heel complex zijn. Hij verraadt vaak veel over de kwaliteit van een wijn. Ook de meeste wijnfouten zijn aan de geur te herkennen. Een ander woord voor geur is aroma.
  • Gist: Gisten zijn micro-organismen – eencellige schimmels – die overal in de natuur voorkomen.
  • Gistautolyse: Proces waarbij gisten zichzelf verteren; de enzymen van het organisme vernietigen de eigen cel. Dit proces vindt met name plaats in mousserende wijnen die na de tweede vergisting op fles langere tijd rijpen. Door autolyse ontstaan onder andere complexe geuren en smaken van biscuit en brood.
  • Gobelet: Geleidingsvorm van wijnstokken waarbij de plant in de vorm van een losstaand struikje gesnoeid wordt; die vorm doet denken aan die van een beker op een voet.
  • Gran reserva: Spaanse term voor wijnen uit een bijzonder goed jaar, die een langere periode van rijping ondergaan dan ‘gewone’ wijnen en reserva’s.
  • Grand cru: Letterlijk: ‘groot gewas’. Term waarmee de kwaliteit van Franse wijngaarden of wijndomeinen wordt aangeduid.
  • Grand vin: De belangrijkste, ‘eerste’ wijn van een château in de Bordeaux, waar men als het goed is de beste druiven voor gebruikt.
  • Graniet: Bodemsoort die ontstaan is uit stollingsgesteente dat onder andere mineralen en kwarts bevat. Deze bodemsoort is arm en goed waterdoorlatend.
  • Groene oogst: Benaming voor het weghalen van onrijpe druiventrossen. Daarmee beperkt de wijnboer de opbrengst van de wijnstokken, wat de kwaliteit ten goede zou komen.
  • Guyot: Methode om druivenstokken te snoeien en op te binden. (Zie ook geleidingswijzen)
  • Gyropalette: Machine waarmee flessen champagne zachtjes geschud worden en geleidelijk aan op de kop gezet, zodat het gistbezinksel naar de flessenhals zakt. Daar vormt het een prop die na de rijping verwijderd wordt.
  • Halfzoet: Wijn die tot 45 gram suiker per liter bevat.
  • Hele-trosvergisting: Vergistingsmethode voor rode wijn waarbij de druiven niet afzonderlijk geperst en vergist worden, maar waarbij de wijnmaker de hele tros, inclusief steeltjes, gebruikt.
  • Hoed: De laag druivenschillen en druivenpulp die boven op de gistende wijn drijft.
  • Houtrijping: Methode om jonge wijn zachter, drinkbaarder en complexer te maken. Hoe kleiner en hoe nieuwer het vat waarin de wijn rijpt, hoe meer smaken het hout aan de wijn afgeeft.
  • Hybride: Een druivenras dat is ontstaan door de kruising van druivenplanten van verschillende soorten, dus bijvoorbeeld een wijnstok van de soort Vitis vinifera en een wijnstok van de soort Vitis rupestris. Hybriden worden vaak gekweekt met een specifiek doel, zoals resistentie tegen bepaalde schimmels.
  • IGP: Afkorting voor Indication Géographique Protégée, een Franse kwaliteitscategorie; voorheen was vin de pays. De druiven en de wijn moeten aan bepaalde eisen voldoen om deze kwalificatie te krijgen, waaronder herkomst uit een specifiek gebied.
  • IGT: Afkorting van Indicazione Geografica Tipica, de Italiaanse kwaliteitscategorie voor landwijn. Sinds veranderingen in de Europese wijnwetgeving in 2008 heet deze categorie eigenlijk Indicazione Geografica Protetta.
  • Inheems druivenras: Druivenras dat van nature voorkomt in een bepaald land of zelfs bepaalde streek en dus niet uit een ander land ingevoerd is.
  • Inweking: Fase in het wijnmaakproces waarbij de wijnmaker de druivenschillen en -pitjes nog in de most/jonge wijn laat zitten, zodat ze kleur- en smaakstoffen en tannine aan het sap kunnen afgeven.
  • Irrigatie: Kunstmatige bewatering van een wijngaard, met name toegepast in erg warme en droge klimaten om de opbrengst te verhogen of de oogst te redden. In Europa verboden, behalve voor jonge wijnstokken.
  • Jeroboam: Fles met een inhoud van 4,5 liter.
  • Kabinett: Duitse categorie voor wijnkwaliteit. Onderdeel van de overkoepelende categorie Prädikatsweine (wijnen met predikaat).
  • Kalksteen: Gesteente dat voornamelijk bestaat uit koolzure kalk en dat ontstaan is uit de overblijfselen van oeroude zeediertjes.
  • Klaren: Methode om zwevende deeltjes – waaronder restjes van gisten, bacteriën en dergelijke – uit de wijn te verwijderen om hem helder en stabiel te maken. Daarvoor gebruikt de wijnmaker bepaalde stoffen die die deeltjes aan zich binden, bijvoorbeeld eiwit of bentoniet, waarna ze bezinken en gemakkelijker te verwijderen zijn.
  • Klei: Bodemsoort die een hoog gehalte aan kleimineralen bevat, vaak gemengd met bijvoorbeeld deeltjes koolzure kalk en/of kwarts. Klei staat erom bekend dat het veel water vasthoudt en is dan ook het meest geschikt voor druivenrassen die van ‘natte voeten’ houden, zoals merlot.
  • Kleurstoffen: Druivenschillen bevatten kleurstoffen (anthocyanen) die rode wijn zijn kleur geven – al bevatten volgens recent onderzoek ook de schillen van witte druiven kleurstoffen, maar dan in mindere mate. Anthocyanen geven zelf kleur aan wijn, maar reageren ook met andere bestanddelen van wijn, wat weer nieuwe pigmentstoffen en dus kleur oplevert.
  • Klimaat: Gemiddelde gesteldheid van het weer in een bepaalde streek, met name de gemiddelde temperatuur en regenval.
  • Klonale selectie: Methode voor vermeerdering en veredeling van druivenrassen, waarbij men stekjes neemt van de beste plant uit een wijngaard.
  • Kloon: Wijnstok of verzameling wijnstokken die is verkregen door klonale selectie. Van veel druivenrassen bestaat een hele reeks klonen, geselecteerd op bepaalde eigenschappen en uitgebreid getest. Ze krijgen vaak een nummer in plaats van een naam.
  • Koolzuurgas: Ander woord voor koolstofdioxide, een van de producten van de alcoholische vergisting. Daarbij zetten gisten de suikers in het druivensap om in alcohol en koolzuurgas. Wordt dit koolzuurgas vastgehouden in de wijn, dan ontstaan er belletjes.
  • Korte snoei: De hoofdvormen van het snoeien van wijnstokken zijn de korte en de lange snoei. Bij korte snoei worden de takken waaraan de knoppen zitten flink teruggesnoeid; de wijnboer laat maar twee of drie knoppen zitten. Deze snoeiwijze wordt meestal gecombineerd met de geleidingswijze cordon de royat.
  • Koude inweking: Methode om kleur-, geur- en smaakstoffen aan druivenschillen en -pitjes te onttrekken, door ze kortere of langere tijd in de most te laten.
  • Kruising: Een nieuw druivenras dat ontstaat door twee druivenrassen (al dan niet van dezelfde druivensoort) met elkaar te kruisen.
  • Kurk (als afsluiter): Cilindervormige stop om wijnflessen mee af te sluiten, gemaakt van de bast van de kurkeik.
  • Kurk (als wijnfout): Besmetting van de wijn met TCA, een stof die wijn een muffe kartongeur en -smaak geeft.
  • Lange snoei: De hoofdvormen van het snoeien van wijnstokken zijn de korte snoei en de lange snoei. Bij de lange snoei laat de wijnboer een langere tak groeien vanuit de stam of een korte zijarm van de wijnstok. Aan die tak blijven vijf tot vijftien knoppen zitten. Deze snoeiwijze wordt meestal gecombineerd met de geleidingswijze guyot.
  • Late harvest: Letterlijk: late oogst, dus druiven die later dan gebruikelijk geoogst zijn om zoete wijn te maken. Doordat de druiven zo lang aan de wijnstok blijven hangen – in sommige gevallen tot ze indrogen en verschrompelen – hebben ze meer suikers.
  • Leisteen: Gesteente met een blauwgrijze kleur en een schilferige structuur, in de loop der tijden ontstaan uit andere gesteenten.
  • Lie: Franse term voor gistbezinksel.
  • Liqueur de tirage: Franse term voor het mengsel van gist en suiker dat bij de productie van champagne aan de stille basiswijn wordt toegevoegd, zodat de wijn opnieuw gaat gisten en er belletjes ontstaan.
  • Liqueur d’expédition: Andere term voor dosage; het beetje wijn met (meestal) suiker dat aan champagne wordt toegevoegd na verwijdering van het gistbezinksel en voor de kurk op de fles gaat.
  • Liquoreux: Franse term voor zeer zoete en edelzoete wijnen. Die laatste worden gemaakt van door botrytis aangetaste druiven.
  • Löss: Leemsoort met vaak gelige kleur, die bestaat uit een voor de landbouw vruchtbaar, zeer fijnkorrelig mengsel van kwarts, silicaten en klei. In Nederland vooral te vinden in Limburg; komt daarnaast onder andere voor in wijnstreken in Oostenrijk, zoals het Weinviertel.
  • Macération carbonique: Franse term voor wijnmaakmethode voor rode wijn, vooral bekend uit de Beaujolais.
  • Macération préfermentaire: Franse term voor het inweken van de druiven voorafgaand aan de vergisting.
  • Malolactische omzetting: Proces in jonge wijn dat tijdens of na de alcoholische vergisting plaatsvindt. Meestal (maar ten onrechte) aangeduid als malolactische vergisting en vaak afgekort als mlf of malo. Melkzuurbacteriën zetten scherp smakend appelzuur om in het zachtere melkzuur.
  • Meeldauw (vals en echt): Meeldauw is een schimmelziekte die bij bepaalde weersomstandigheden – vooral bij koel, vochtig weer – de bladeren van de wijnstok aantast. Er zijn twee soorten. Bij valse meeldauw zit de schimmel aan de onderkant van de bladeren, bij echte meeldauw (Oidium) ligt hij als een soort wit poeder boven op de bladeren.
  • Melkzuur: melkzuur is een bijproduct van de alcoholische vergisting en is dus in elke wijn aanwezig, naast appelzuur en wijnsteenzuur. Melkzuur heeft van deze zuren de mildste smaak en komt in een relatief lage concentratie voor in wijn.
  • Méthode traditionnelle: Franse term voor de traditionele methode voor het maken van mousserende wijn. Die houdt in dat de basiswijn een tweede vergisting op fles ondergaat, waarbij het koolzuurgas (dat de belletjes veroorzaakt en dat bij elke vergisting ontstaat) in de wijn ‘gevangen’ wordt.
  • Micro-oxidatie: Wijnmaaktechniek die begin jaren negentig in Frankrijk werd uitgevonden, waarbij heel kleine hoeveelheden zuurstof in de wijn gebracht worden. Dat gebeurt op momenten dat de wijn beter wordt van wat extra zuurstof, onder andere tijdens de vergisting en de rijping. Met de techniek van micro-oxidatie heeft de wijnmaker precies in de hand hoeveel zuurstof hij of zij op welk moment aan de wijn toedient en hoe lang. Over de effecten en het gebruik van deze methode heerst discussie.
  • Microbullage: Franse term voor micro-oxidatie.
  • Microklimaat: Het klimaat van een afgebakend en heel klein gebiedje van maximaal een paar meter, bijvoorbeeld rond een groep wijnstokken of tussen twee rijen wijnstokken.
  • Millésime: Franse term voor (met name) een champagne die gemaakt is van wijnen uit een specifiek oogstjaar en dus niet, zoals meestal, een blend uit meerdere oogstjaren is. De Engelse term is vintage.
  • Moelleux: Franse term voor halfzoete wijn, die tot 45 gram restsuiker per liter mag bevatten.
  • Mondgevoel: Met ‘mondgevoel’ wordt het gewicht, de volheid, van de wijn in de mond aangeduid. De Engelse term ervoor is body, de Franse term corps. De alcohol in de wijn levert een belangrijke bijdrage aan de volheid van een wijn.
  • Monocépage: Cépage is het Franse woord voor druivenras, en een monocépage is een wijn die (grotendeels) van één druivenras gemaakt is.
  • Most: Most is het mengsel van druivensap, druivenpulp, druivenschilletjes, steeltjes en pitjes dat het tussenstadium vormt tussen druiven en wijn. Zodra de druiven kapot zijn gegaan, heb je most, en pas als de vergisting voltooid is, heb je wijn.
  • Mostgewicht: Maat voor het soortelijk gewicht van de most, dat bepaald wordt aan de hand van de concentratie van opgeloste vaste stoffen in de most. In de praktijk is dat vooral het suikergehalte van de most, aangezien de vaste stoffen in druiven voor 90% uit suiker bestaan. Hoe meer suiker, hoe hoger het mostgewicht en hoe hoger het potentiële alcoholgehalte van de wijn.
  • Mostverrijking: Het verbeteren van de most door toevoeging van suiker of door een deel van het vocht weg te laten lopen, waardoor de overgebleven most geconcentreerder is.
  • Mousserende wijn: Sprankelende wijn, die dankzij een tweede vergisting belletjes (mousse) bevat. Als aan wijn die al klaar is wat suiker en gist toegevoegd wordt, gaat hij opnieuw gisten. Daarbij ontstaat koolzuurgas. Als dat niet kan ontsnappen, zorgt dat voor kleine gasbelletjes in de wijn.
  • Nieuwe Wereld: De wijnwereld wordt verdeeld in de Oude Wereld – de oude Europese wijnlanden – en de Nieuwe Wereld, de (vaak jongere) wijnlanden op continenten die vanaf de vijftiende eeuw door Europeanen werden ‘ontdekt’: Zuid-Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland, Noord- en Zuid-Amerika.
  • Oenoloog: Iemand die oenologie gestudeerd heeft: de wetenschap van de wijnbouw en het wijn maken.
  • Ontbladeren: Het verwijderen van bladeren aan de wijnstok, om de plant te stimuleren meer energie in de druiven te steken en minder in bladvorming, of om bijvoorbeeld de ventilatie rond de plant te verbeteren, zodat er minder snel schimmels en rot kunnen ontstaan.
  • Ontstelen: Het verwijderen van de steeltjes – die veel tannine bevatten – van de druiven voorafgaand aan het persen. Voor witte wijn worden de druiven eigenlijk altijd ontsteeld, voor rode wijn laten wijnmakers soms (een deel van) de steeltjes zitten.
  • Oogst: De druivenopbrengst van een wijngaard, een wijngebied of een wijnland.
  • Oogstjaar: Het jaar waarin de druiven voor een bepaalde wijn geoogst zijn. De weersomstandigheden gedurende dat jaar hebben invloed op de kwaliteit van de druiven en dus ook van de wijn.
  • Oude wijnstokken: Het is niet wettelijk vastgelegd, maar vanaf vijftig jaar worden wijnstokken meestal oud genoemd.
  • Oversteken: Een procedure waarbij wijn uit een vat of tank wordt geheveld met achterlating van het bezinksel, zodat er heldere wijn overblijft.
  • Oxidatie: Als de most en later de wijn in aanraking komt met zuurstof, kan er oxidatie optreden.
  • Oxidatief aroma: Een meestal negatief bedoelde proefterm, die aangeeft dat een wijn (onbedoeld) geoxideerd is en bijvoorbeeld naar overrijpe appels ruikt en een vlakke of zure smaak heeft.
  • Passito: Italiaanse term voor wijn die gemaakt is van gedroogde druiven.
  • Pergola: Een methode om druivenstokken hoog op te binden en te geleiden. Vaak gebeurt dat langs een hoog houten frame, dat een soort afdak tussen de rijen planten vormt.
  • Pétillant: Franse term voor licht mousserende wijn.
  • Phylloxera: De phylloxera (moderne wetenschappelijke naam: Dactylasphaera vitifoliae) is een druifluis die in de tweede helft van de negentiende eeuw vanuit Amerika in Europa terechtkwam en daar een enorme vernietiging aanrichtte in de wijngaarden.
  • Plantdichtheid: De plantdichtheid geeft het aantal wijnstokken aan dat per hectare in een wijngaard is geplant.
  • Port: Zoete, (meestal) rode wijn met een hoog alcoholgehalte, uit de regio Douro in Portugal.
  • Predikaat: Toevoeging aan de naam van een wijn die (met name in Duitsland) een bepaalde kwaliteit aangeeft. De wijn moet daarvoor aan strenge eisen voldoen. Voorbeelden van predikaten zijn Spätlese, Auslese en Trockenbeerenauslese
  • Premier cru: Franse kwaliteitsaanduiding voor bepaalde zeer hoog geclassificeerde châteaux in Bordeaux (zoals Lafite, Margaux en Mouton Rotschild). De term wordt ook gebruikt voor kwaliteitswijngaarden in de Bourgogne, die een kwaliteit leveren tussen gemeentewijn en grand cru in.
  • Primaire aroma’s: De aroma’s die tijdens de vergisting van een wijn ontstaan. Ze zijn deels afkomstig uit de druif en deels een resultaat van de vergisting. Meestal zijn dit frisse, fruitige geuren.
  • Proefnotitie: Een systematische notitie van wat je in een wijn ziet, ruikt en proeft.
  • Prosecco: Mousserende wijn uit de DOC Prosecco of de DOCG Conegliano-Valdobbiadene in Noordoost-Italië. Prosecco wordt gemaakt van witte wijn van het druivenras glera.
  • QbA: Duitse afkorting voor Qualitätswein bestimmter Anbaugebiete: wijn die afkomstig is uit een van de dertien afgebakende Duitse wijnbouwgebieden en die aan bepaalde eisen moet voldoen wat betreft bijvoorbeeld druivenras en mostgewicht.
  • QmP: Duitse afkorting voor Qualitätswein mit Prädikat: wijnen van hoge kwaliteit die een van de zeven predikaten mogen dragen (Kabinett, Spätlese, Auslese, Beerenauslese, Trockenbeerenauslese en Eiswein). Ze moeten per predikaat aan specifieke, strenge eisen voldoen, onder andere met betrekking tot het mostgewicht van de druiven.
  • Recioto: Italiaanse term voor een zoete wijn van aan de wijnstok verschrompelde en ingedroogde druiven. Recioto wordt gemaakt in Noordoost-Italië; het grootste deel is rood en afkomstig uit Valpolicella.
  • Reductief: Proefterm die aangeeft dat er zwavelstoffen in een wijn gevormd zijn, die een onaangename geur van rottende eieren of een afvoerputje geven. De vorming van dergelijke stoffen wordt bevorderd door reductieve omstandigheden, dat wil zeggen omstandigheden waarbij er weinig tot geen zuurstof bij de wijn komt.
  • Refractometer: Apparaat waarmee je het suikergehalte van druiven kunt meten.
  • Remuage: Remuage is het gedurende een bepaalde periode dagelijks zacht schudden en draaien van flessen champagne-in-wording, met als doel de dode gistcellen in de fles voorzichtig in de hals te verzamelen. Daarna kan de gist in één keer verwijderd worden en krijgt de champagne zijn definitieve kurk.
  • Reserva: Term die in Spanje en Portugal gebruikt wordt voor wijnen van een goed oogstjaar. In Portugal moet zo’n wijn een alcoholgehalte hebben dat 0,5 procent hoger ligt dan gebruikelijk voor de streek. In Spanje mag een rode Reserva pas vier jaar na de oogst op de markt komen. Hij moet minstens drie jaar gerijpt zijn op vat en fles, waarvan minstens één jaar op vat.
  • Réserve: Deze Franse term heeft net als de Engelse term Reserve geen wettelijke status. Producenten zijn vrij de term te gebruiken voor wijnen die ze zelf als bijzonder beschouwen of alleen bij wijze van marketing.
  • Restsuiker: De suiker die een wijn na de vergisting nog bevat. De hoeveelheid restsuiker bepaalt samen met de zuren in de wijn hoe droog of hoe zoet een wijn smaakt.
  • Ripasso: Techniek die in het Italiaanse wijngebied Valpolicella wordt toegepast. De gewone, droge rode Valpolicella wordt nog een keer vergist met de overgebleven, niet geperste schillen van een andere wijn, de Amarone.
  • Riserva: Nogal losjes gebruikte term in Italië voor wijnen die van hogere kwaliteit zouden moeten zijn. In de meeste gevallen zijn er echter geen duidelijk eisen waaraan zo’n wijn moet voldoen, op een paar uitzonderingen na. Wel moet een Riserva doorgaans een bepaalde periode vat- en flesrijping hebben gehad.
  • Rode wijn: Rode wijn wordt gemaakt van blauwe druiven.
  • Roestvrijstalen tanks: Grote tanks die gebruikt worden om wijn in te laten gisten en te laten rijpen en om wijn in op te slaan. In moderne tanks kan over het algemeen de temperatuur van de wijn gestuurd worden, zodat hij niet te koud of te warm wordt.
  • Rosé: Rosé wordt gemaakt van blauwe druiven en soms van een mix van blauwe en witte druiven.
  • Schilweking: Fase in het productieproces van witte wijn waarbij de wijnmaker de gekneusde druiven voor ze geperst en vergist worden 4 tot ongeveer 48 uur laat staan, zodat ze extra kleur- en smaakstoffen aan het sap kunnen afgeven.
  • Schroefdop: Dop om wijnflessen mee af te sluiten, gemaakt van aluminium en bedoeld om de traditionele kurk te vervangen. Vooral geliefd vanwege het gebruiksgemak: de fles is zonder hulpmiddelen te openen en net zo makkelijk weer dicht te doen. Schroefdoppen lijken bovendien geen negatieve invloed op de wijn te hebben.
  • Sec: Franse term om aan te geven dat een wijn droog is en dus nauwelijks restsuiker bevat (0 tot 4 gram suiker per liter). Bij mousserende wijn ligt het iets anders: daar verwijst de term sec naar wijnen met 17 tot 32 gram restsuiker per liter.
  • Second vin: Term voor de ‘tweede’ wijn van beroemde châteaux in de Bordeaux; dat wil zeggen gemaakt van druiven die niet goed genoeg bevonden zijn voor de topwijn. Een second vin kan dus nog wel een heel goede wijn zijn.
  • Secundaire aroma’s: Geuren in een wijn die na de vergisting ontstaan, zoals aroma’s van de malolactische omzetting, van rijping op eikenhout en van contact met de lie, de dode gistcellen. Vaak gaat het om aroma’s van vanille, boter, biscuit en toast.
  • Sekt: Duitse of Oostenrijkse mousserende wijn. In Duitsland geeft de term Deutscher Sekt een wijn van betere kwaliteit aan.
  • Semi-seco: Spaanse term voor halfzoete mousserende wijnen, die tussen de 32 en 50 gram restsuiker per liter mogen bevatten. De Franse term is demi-sec.
  • Sherry: Versterkte wijn uit het gebied rond Jerez de la Frontera in Zuid-Spanje. De basiswijn wordt van de druif palomino fino gemaakt en in twee categorieën verdeeld. Van de verfijndere wijnen wordt sherry van het type fino, manzanilla en amontillado gemaakt; van de wat zwaardere wijnen wordt oloroso gemaakt.
  • Single variety wine: Engelse term voor wijnen de van één druivenras gemaakt zijn.
  • Single vineyard wine: Engelse term voor wijn die gemaakt is van druiven uit één wijngaard.
  • Smaak: De samenhang van gewaarwordingen die een wijn in de mond oplevert. De smaak wordt in de eerste plaats bepaald door de hoeveelheid zoet, zuur, tannine en alcohol die een wijn bevat.
  • Snoeiwijzen: Verschillende manieren waarop druivenplanten in vorm gesnoeid worden. Snoeien is noodzakelijk om de groei van de plant in te perken, zodat hij meer energie in de druiven kan steken. Daarnaast is het een middel om de plant efficiënt te kunnen verzorgen en de druiven makkelijker te kunnen oogsten, zeker in wijngaarden waar het werk grotendeels gemechaniseerd is.
  • Solera: Systeem waarin sherry gerijpt wordt. Het bestaat uit rijen op elkaar gestapelde vaten. Uit de onderste rij wordt wijn afgetapt om te bottelen, maar zonder het vat leeg te maken. Het wordt aangevuld met wijn uit de vaten van de tweede rij, die op zijn beurt wordt aangevuld uit de derde rij enzovoort. De bovenste rij wordt aangevuld met jonge wijn.
  • Spätlese: Term uit het Duitse (en Oostenrijkse) wijnclassificatiesysteem waarmee de zoetheid van een wijn beschreven wordt, gemeten naar het suikergehalte van de druiven op het moment van de oogst.
  • Spumante: Italiaanse term voor mousserende wijn. Mag alleen gebruikt worden op het etiket van wijnen die volgens de traditionele methode (met een tweede gisting op fles) of de tankmethode (met een tweede gisting op tank) gemaakt zijn, zoals prosecco en Asti.
  • Stille wijn: Een niet-mousserende wijn.
  • Strak mondgevoel: Omschrijving van het drogende, wat samentrekkende gevoel dat wijnen met veel tannine in de mond achterlaten, maar ook van het speekselopwekkende, verfrissende gevoel dat wijnen met veel zuren in de mond veroorzaken.
  • Sulfiet: Ander woord voor zwaveldioxide, een stof die bij het wijn maken gebruikt wordt om bepaalde bacteriën uit te schakelen en zo de wijn stabiel te houden tijdens rijping, vervoer en opslag.
  • Supérieur: Kwaliteitsaanduiding die wijnen uit de AOC Bordeaux aan hun naam mogen toevoegen als de wijn meer concentratie heeft dan standaard en van een betere kwaliteit druiven gemaakt is. In Graves wordt de term gebruikt voor zoete wijnen.
  • Sur lie: Lie is het Franse woord voor het bezinksel van dode gistcellen in een wijn. Sur lie wil zeggen dat een – doorgaans witte – wijn gedurende een bepaalde periode samen met dat bezinksel rijpt (wat de wijn een vollere, rondere smaak en textuur geeft) en/of dat hij samen met het bezinksel gebotteld wordt, zoals de bekende Muscadet Sèvre & Maine sur lie.
  • Tannine: Verzamelnaam voor een groep chemische stoffen die in allerlei vruchten voorkomt en dus ook in druiven, met name in de schil, pitjes en stelen. Ook het hout van wijnvaten bevat tannine. Tannine bindt eiwitten aan zich, zoals de eiwitten in speeksel; dat is de reden waarom tannine een samentrekkend, drogend gevoel in de mond kan veroorzaken.
  • Terroir: Van oorsprong Franse term die de gezamenlijke invloed van vooral bodem, klimaat en ligging van een wijngaard op de druiven en wijn aanduidt.
  • Tertiaire aroma’s: Aroma’s in wijn die ontstaan door leeftijd of zelfs ouderdom, meestal na rijping op de fles. Het zijn vaak complexe aroma’s die – afhankelijk van het type wijn – doen denken aan paddenstoelen, bosgrond, leer, krenten, noten en dergelijke.
  • Tweede wijn: De second vin van beroemde châteaux in de Bordeaux; dat wil zeggen gemaakt van druiven die niet goed genoeg bevonden zijn voor de topwijn. Een tweede wijn kan dus nog wel een heel goede wijn zijn.
  • Uiterlijk: Proefterm die gebruikt wordt om uiterlijke aspecten van een wijn te omschrijven: met name de helderheid (of troebelheid) van de wijn, de kleur en de intensiteit en dichtheid van de kleur.
  • Uitheems druivenras: Een druivenras dat niet van nature in een bepaald land of bepaalde streek voorkomt, maar van buitenaf geïmporteerd is.
  • Varietal: Engels voor ‘druivenras’.
  • Vendange tardive: Franse term voor ‘late oogst’. Alleen wijnen uit de Elzas die aan bepaalde eisen voldoen – ze mogen bijvoorbeeld niet aangezoet worden – mogen deze term op het etiket zetten. Lastig genoeg varieert deze categorie wijnen nogal in de mate van zoetheid.
  • Véraison: Franse term voor de fase waarin de rijpingsperiode van de druiven aan de wijnstok begint, onder andere te herkennen aan het feit dat de groene druiven kleur gaan krijgen en zachter worden.
  • Vergisting: Proces waarbij gist de suikers in de most omzet in alcohol, met als bijproducten onder andere koolzuurgas en warmte.
  • Versterkte wijn: Wijn waaraan extra alcohol is toegevoegd, meestal tot een alcoholgehalte van 16% tot 20%. Vroeger werd dat gedaan om wijn op lange zeereizen stabiel te houden. Tegenwoordig doet men het om een bepaald effect te bereiken, bijvoorbeeld bij port of sherry.
  • Vieilles vignes: Frans woord voor ‘oude wijnstokken’. Wordt veel gebruikt, maar heeft geen wettelijk vastgelegde betekenis.
  • Vin doux naturel: Franse zoete wijn, die gemaakt wordt door tijdens de vergisting alcohol toe te voegen waardoor de gist afsterft. Door de onvergiste suikers ontstaat zo een zoete wijn, waarvan het restsuikergehalte kan variëren van 45 tot ongeveer 140 gram per liter. Het alcoholgehalte ligt meestal tussen de 15% en 18%.
  • Vin nature: Franse term voor ‘natuurwijn’, dat wil zeggen wijn die gemaakt is van biologisch of biodynamisch geteelde druiven en waaraan tijdens het wijnmaakproces in principe niets wordt toegevoegd, dus geen gecultiveerde gist, geen sulfiet, geen zuren of suiker, geen enzymen enzovoort.
  • Vinificatie: Het wijnmaakproces, van het selecteren van de druiven direct na de oogst tot en met de laatste handelingen voor het bottelen.
  • Vintage: Engels woord voor ‘oogst’ en ‘oogstjaar’. Wordt in de wereld van port en champagne gebruikt om jaargangen van uitzonderlijk goede kwaliteit mee aan te duiden.
  • Vluchtig zuur: Vluchtig zuur is zuur dat bij verwarming verdampt, zoals azijnzuur en boterzuur. In de wijnwereld gebruikt als proefterm om aan te geven dat een wijn een onaangenaam grote hoeveelheid azijnzuur bevat.
  • Ward: Een ward is een wijngebied binnen het Zuid-Afrikaanse systeem voor herkomstbenamingen. De wijnstreken in Zuid-Afrika zijn verdeeld in geografische eenheden. Van groot naar klein zijn dat: regio’s, districten en wards.
  • Wijn: Een drank gemaakt van geheel of gedeeltelijk vergiste, versgeoogste druiven, met minimaal 8,5% alcohol en maximaal 15%.
  • Wijn maken: Het proces waarbij druiven worden omgezet in wijn, door ze te kneuzen en/of te persen en de most te laten vergisten.
  • Wijn proeven: Wijn proeven gebeurt om een oordeel over de wijn te geven.
  • Wijnsteenzuur: Zuur dat van nature voorkomt in druiven en wijn, zij het in heel verschillende mate. Het speelt een belangrijke rol in de smaak van een wijn en is ook van belang voor de stabiliteit van het zuurgehalte en de kleur van de wijn.
  • Wijnstok: Plant die tot het geslacht van de wingerd behoort en waaraan druiven groeien.
  • Witte wijn: Wijn die gemaakt is van witte of blauwe druiven (het sap van blauwe druiven is ook wit; het zijn de schillen die kleur geven).
  • Wortelstok: Het onderste deel van een wijnplant, met de wortels, dat gebruikt wordt om er een plant van een ander druivenras op te enten.
  • Zand: Bodemsoort die uit relatief grote deeltjes bestaat en die heel weinig water en voedingsstoffen vasthoudt.
  • Zéro dosage: Franse term om aan te geven dat er aan een mousserende wijn geen zoet is toegevoegd bij de botteling. Ook brut nature genoemd. Zo’n wijn bevat maximaal 3 gram restsuiker per liter en is dus beendroog.
  • Zuren: Chemische stoffen die een zure of wrange smaak geven. In druiven zit vooral wijnsteenzuur en appelzuur.
Zoeken